Homo sapiens bereikte ongeveer 40.000 jaar geleden Nieuw Guinea. Aan het einde van de laatste ijstijd werd Nieuw Guinea door de stijgende zeespiegel gescheiden van Australië. De mensen leefden samen in groepen die geïsoleerd maar ook in concurrentie met elkaar leefden. Er ontstond een enorme diversiteit aan talen en culturen.

In het westelijk deel waren vanuit de Vogelkop de contacten buiten Nieuw Guinea vooral westwaarts gericht. Vanaf de 16de eeuw zagen kustbewoners soms de schepen van de eerste Europeanen: Spanjaarden, Portugezen en later de Hollanders. Er was nauwelijks contact. De Europeanen gebruikten de algemene benamingen Papua’s voor de bevolking en Nieuw Guinea als geografische aanduiding voor het eiland.

In de 19de eeuw verdeelden Nederland, Duitsland en Engeland het eiland. Het westelijk deel werd onderdeel van Nederlands-Indië. De eerste blijvende nederzetting van Europeanen in het Nederlandse gedeelte bestond uit zendelingen die zich in 1855 vestigden op het eiland Mansinam in de Doreh Baai. De Nederlandse overheid volgde pas in 1898 met de vestiging van bestuursposten in Manokwari en Fak-Fak. De hele eerste helft van de 20ste eeuw beperkte de westerse invloed zich tot de kustgebieden. Die invloed was meestal beperkt, maar kon ook ingrijpend zijn zoals bij de Marind-anim rondom Merauke. Zij dreigden uit te sterven door de verspreiding van een geïmporteerde geslachtsziekte. De overheid greep in, met als gevolg een opgelegde, ingrijpende cultuurverandering in korte tijd.

In 1949 werd door de soevereiniteitsoverdracht een onafhankelijk Indonesië een internationaal erkend feit. Om geo-politieke redenen hield Nederland Nieuw Guinea buiten de overdracht. Terwijl een conflict met Indonesië zich ontwikkelde gaf Nederland zichzelf de opdracht om de Papua’s ‘op te voeden tot zelfstandigheid’. De verwachtingen die bij de bevolking waren gewekt maakten het des te pijnlijker voor de Papua’s toen onder internationale druk Nederlands Nieuw Guinea toch aan Indonesië overgedragen moest worden. Voorwaarde was dat in een zogenoemde Act of Free Choice de Papua’s zich konden uitspreken over hun staatkundige toekomst. Door Indonesische manipulatie en dwang werd de uitslag een voorspelbare.

De verandering van de naam van het gebied in Irian Jaya (Jaya in de betekenis van zowel Glorieus als Rijk) stond in schril contrast met het lot van de oorspronkelijke Papuabevolking. Onder de Suharto dictatuur werden hun rechten ernstig geschonden, net als in de rest van Indonesië. Door de afgelegen ligging hadden leger en politie vrij spel. Bij absentie van een goed ontwikkelingsbeleid werd er niet geïnvesteerd in de potentie van de Papua bevolking. In plaats daarvan werden weinig duurzame economische activiteiten als mijnbouw en plantage-landbouw toegelaten, waarbij de adat landrechten van de bevolking niet erkend werden. Posities in overheid en economie werden in toenemende mate ingenomen door niet-Papua’s die, al dan niet in het kader van het officiële transmigratie programma, Papua binnenstroomden. Nu is meer dan 50% van de bevolking geen etnische Papua.

Mochten we hierbij spreken van Papua’s als slachtoffers tegenover ‘Jakarta’, sinds de democratische omwenteling in de nieuwe eeuw is de situatie complexer geworden. Een groeiende bestuurlijke en politieke Papua elite voelt zich verbonden met de Indonesische staat, en de Papua’s maken blijmoedig gebruik van de democratische ruimte die geboden wordt, zoals de verandering van de provincienaam in ‘Papua’, het ijveren voor een Speciale Autonomie en deelname aan algemene verkiezingen. Na de euforie van rond 2000 is er nu echter teleurstelling over het weinige resultaat dat tot nu toe geboekt is. De Speciale Autonomie wordt niet uitgevoerd, de mensenrechten worden nog steeds geschonden en Papua wordt van zijn natuurlijke hulpbronnen beroofd.

Facebooktwitterpinterestlinkedin

Projecten